Mei 2009: 175 JAAR WESTERDOK!
Op oude kaarten van Amsterdam is te zien dat rond 1500 de stad aan het IJ buiten de haveningang was afgeschermd met palen waartussen drijvende boomstammen (bijv. de Zout-keetsboom). Op land was er een vestingswal met poortingangen, zoals de Haarlemmerpoort, de Weesperpoort, de Muiderpoort en de Antonispoort (Waag Nieuwmarkt. De vestingwal was versterkt met bolwerken, een soort uitkijktoren/heuvel. Hierop werden later vanwege de hogere ligging vaak molens gebouwd. Op de plek waar nu het Barentszplein is, was vroeger het bolwerk Leeuwenburg, vanwege de blauwe arduinsteen van de water-kering ook wel Blaauwhoofd genoemd. Op dit bolwerk verscheen later molen De Bok. Verderop richting Rozengracht had je bolwerken/molens De Bogt en Westerbeer.
Na de afbraak van de stadwallen en de bolwerken werd in 1857 het eerste (dus nog vóór het Vondelpark v/h Willemspark!) Amsterdamse stadspark(je): Westerplantsoen (ofwel Haarlem-merplantsoen ofwel Park Blaauwhoofd) aangelegd op het gebiedje waar nu de Barentszstraat loopt. Vanwege de komst van het Noordzeekanaal en de voorloper bij de Droogbak van het Centraal Station heeft dit parkje maar tot 1876 bestaan, dus amper 20 jaar.
De eerste bebouwing in de buurt van Leeuwenburg verscheen tegen 1615 bij de Zoutkeetsgracht waar pakhuizen werden gebouwd die als zoutketen dienst deden. Zout was in die tijd zeer belangrijk als conserveermiddel (haring!) en een waardevol handelsproduct. Andere straatnamen zoals Bokkinghangen (bokking is een gerookte haring) en Touwslagerstraat herinneren ook aan de grote betekenis van de haringhandel en scheepsnijverheid. De Westelijke Eilanden, Realeneiland, Prinseneiland en Bickerseiland werden aangelegd rond 1615. Jan Bicker was scheepsbouwer en burgemeester van Amsterdam, Reynier Reaal bezat veel huizen op dat eiland en op Prinseneiland was een huis met gevelstenen van Oranje-prinsen. Er vestigden zich, vooral na de 18e eeuw, veel scheeps- en timmerwerven en bedrijven voor scheepstoebehoren.
Het historische 'open havenfront' van het Amsterdam uit de 17e eeuw gaf de vele schepen direct toegang tot de stad bij het Damrak en de Gelderse kade. Dit waren veelal vissersschepen en handelsschepen; de grote schepen van de West- en Oost-Indische compagnie kwamen niet verder dan Enkhuizen vanwege de geringe diepgang bij Pampus. Aanslibbing van het IJ was in dit verband ook een voortdurend probleem. Een dok omgeven door een dijk zou deze aanslibbing tegengaan en grote schepen een goede ligplaats kunnen bieden. In 1808 werd door Jan Blanken Jzn. een plan ingediend bij de gemeenteraad om 2 dijken in het IJ aan te leggen, waardoor een Oosterdok en Westerdok zouden kunnen worden gerealiseerd die met sluizen met het IJ in verbinding zouden staan. Dit plan heeft lang ter discussie gestaan/in de week gelegen. Pas nadat in 1824 het Groot Noordhollandsch kanaal de eerste alternatieve route naar zee bood naast de Zuiderzeeroute, zou Koning Willem I op 10 maart 1828 het plan goedkeuren.
In 1832 werd het Oosterdok opgeleverd, en na vertraging door o.a. de oorlog met België op 19 mei 1834 het Westerdok. Het dok was oorspronkelijk een stuk groter dan tegenwoordig. Ook waar nu het NS-gebouw en de spoordijk bij Squashcity tot aan de Droogbak staan, was er het open water van het Westerdok.
Aanvankelijk was de Westerdoksdijk slechts een dijk die een stuk IJ (nu Westerdok) had afgesnoept.
Er kwamen twee grote houten steigers aan, met aansluiting op het spoornet (Suez-steigers). Hiervan vertrok ook de Indië-lijn van de Stoomvaart Mij. Nederland, en later de Koninklijke West-Indische Maildienst en de Holland Amerika Lijn (HAL). De HAL verhuisde naar het Stenen Hoofd toen dat in 1907 klaar was. Na de 1e wereldoorlog werd Rotterdam de thuishaven van de HAL.
De vishal die vroeger achter de Waag op de Nieuwmarkt stond, werd in de 19e eeuw verplaatst naar de Westerdoksdijk (IJzijde, later het Markthallenterrrein/Y-markt). Aan die kant was in die tijd ook een van de eerste Amsterdamse zwemscholen (Zwem-school en Badinrichting), die is terug te vinden in Kees de Jongen van schrijver Theo Thijssen. De befaamde zwembadpas (be)oefende Kees op weg naar deze 'inrichting' onder het spoorviaduct bij de Westerdokssluis.
Het oorspronkelijke Westerdok fungeerde als haven voor zeeschepen en was tevens vanwege de vele werven en het houten (drijvende) droogdok een veelbezochte plek voor scheepsreparaties. Naarmate de schepen in de 20e eeuw groter werden, nam deze functie af. Wel werden er de kolenschepen van de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij gelost en werd er meel afgevoerd van de Stoom Meel- en Broodfabriek aan de Zoutkeetsgracht (vanaf 1860, gesloopt in de jaren 60 van de vorige eeuw). Hieraan herinnert nu nog de betonnen meelsteiger aan de uiterste westzijde van het dok. De broodfabriek was een van de eerste van Amsterdam. Dit initiatief van de befaamde Dr. Samuel Sarphati (onder meer verantwoordelijk voor het Amstel Hotel, het paleis voor Volkvlijt en tal van andere wel-doenersinitiatieven) heeft in de bittere armoede van die tijd de broodprijs laag weten te houden en zodoende ook het sterftecijfer.
Vanaf 1960 worden ten slotte vrijwel alle overblijfselen van de geschiedenis opgeruimd, om plaats te maken voor de nieuwbouw zoals we die nu kennen. Eerst op Bokkinghangen, daarna het grote Narwalgebouw en omgeving, en de laatste 5 jaar de massale nieuwbouw aan de Westerdoksdijk.
Bronnen:
Ons Amsterdam maandblad, dec. 1977/feb. 1982/juli-aug. 1991
Z Amsterdams straatmagazine, aug. 2003
WDOK uitgave Wijkcentrum Jordaan & Gouden Reaal 2006